De gevolgen van tijdelijke sluiting voor horecaondernemers

Horecabedrijven kunnen om verschillende redenen sluiten. De sluiting kan tijdelijk, maar ook permanent zijn. Veel voorkomende oorzaken van een sluiting zijn: de vondst van drugs of wapens, maar ook het niet naleven van vergunningsvoorschriften. Ook ongeregeldheden, zoals gevechten in of buiten de horecagelegenheid is een oorzaak voor sluiting. De gevolgen van de tijdelijke of permanente sluiting zijn voor de horecaondernemer groot.

De tijdelijke sluiting van een horecaonderneming kan zeer ongewenste en vaak onbedoelde gevolgen hebben voor de horecaonderneming. Op grond van de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) kan de burgemeester in veel gemeenten beslissen een horecaonderneming tijdelijk te sluiten voor één tot soms wel twaalf maanden als er bijvoorbeeld één of meerdere geweldsincidenten hebben voorgedaan. Bij deze tijdelijke sluiting blijft het vaak niet.  

Slecht levensgedrag

Volgens artikel 8 van de Drank- en Horecawet mogen leidinggevenden ( bedrijfsleiders/eigenaren) namelijk in elk opzicht niet van slecht levensgedrag zijn. Aan het zedelijk gedrag van een leidinggevende kunnen aanvullende eisen worden gesteld. Volgens artikel 5 van het Besluit Eisen Zedelijk Gedrag Drank- en Horecawet mag een leidinggevende binnen de laatste 5 jaar geen leidinggevende geweest zijn van een bedrijf waarvan de vergunning is ingetrokken. Of dat het bederijf voor ten minste een maand is gesloten op grond van een gemeentelijke verordening. 

Vergunning intrekken

Als de burgemeester overgaat tot een tijdelijke sluiting van een horecaonderneming voor een maand of langer, dan wordt op grond van de Drank- en Horecawet de vergunning ingetrokken. Op dat moment wordt er namelijk niet meer voldaan aan artikel 5 van het Besluit Eisen Zedelijk Gedrag Drank- en Horecawet en daarmee niet aan de eisen van artikel 8 van de Drank- en Horecawet. Vaak is dit het geval bij eenmanszaken. De eigenaar van de eenmanszaak wordt namelijk op grond van de Drank- en Horecawet automatisch gezien als leidinggevende. Bij een tijdelijke sluiting van de onderneming van een maand of langer op grond van de APV, leidt dit tot  intrekking van de vergunning op grond van de Drank- en Horecawet. De tijdelijke sluiting op grond van de APV van de gemeente heeft daarom fatale gevolgen voor de toekomst van de horecaonderneming. 

Geen belangenafweging

In de rechtspraak wordt bovenstaand gevolg als juist beschouwd. Het intrekken van de Drank- en Horecawet vergunning is een gebonden beschikking waarbij er geen ruimte is voor een belangenafweging. Verder is de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van oordeel dat de combinatie van maatregelen geen straffend karakter heeft.
De sluiting heeft namelijk als doel: herstellen van de openbare orde. De intrekking heeft betrekking op een eventuele hervatting van de exploitatie door iemand waarin wel het vertrouwen is. De maatregelen sluiten elkaar daarom niet uit. 

Tot slot

Bij de behandeling van een zaak omtrent tijdelijke sluiting van een horecaonderneming moet rekening worden gehouden dat deze sluiting ook fatale gevolgen kan hebben voor het voortbestaan van deze onderneming. Dit kan door direct aan de ondernemer de eventuele gevolgen te vertellen, zodat hij zijn rechtsvorm aanpast. Ook in de bezwaarprocedure tegen de burgemeester in het kader van de tijdelijke sluiting moet direct worden aangevoerd en onderbouwd dat deze tijdelijke sluiting het einde van de onderneming kan betekenen. De burgemeester  heeft namelijk op dat moment nog beleidsvrijheid om de duur van de tijdelijke sluiting te verkorten tot minder dan een maand. Dit om zo de onbedoelde nadelige effecten voor de Drank- en Horecawet vergunning van de horecaondernemer te voorkomen. Waakzaamheid is op dit onderwerp geboden. 

Is dit een herkenbare situatie voor u of wilt u meer hierover weten? Dan kunt u gerust contact met ons opnemen en kijken wij wat de mogelijkheden voor uw onderneming zijn. 

Share:

Meer nieuws van SRK

Share:

Voor alle juridische hulp